Weggespoeld

Honderden zinnen en verhaalideeën lijken in de douchekop te zitten verstopt. Ze vallen op mijn hoofd, stromen met de warmte mee dwars door mijn huid heen. Naar binnen. Binnen wonen mijn gedachten. Hoe heter ik de douche zet, hoe meer zinnen zij in zich kunnen opnemen. Binnen worden zinnen gevormd. De woorden stromen zo hard als het water. Bladzijden vallen als liters naar beneden. Kletteren in de oude zinken douchecabine, vallen kapot als glas met opspringende scherven. De scherven zijn de druppels die tegen mijn benen en de muur vliegen. Een poging doen weer terug naar boven te komen, maar altijd tevergeefs. Ze zijn niet sterk genoeg, de losse letters. Ze biggelen langs mijn benen over het natte wit en met wat tegenstribbelen in de vorm van draaikolkjes wordt het water, nu door elkaar gehusselde zinnen, woorden en letters, het doucheputje in gezogen. 
Weg.
Pleitos.
Het donker in, waar ze mij nooit meer zullen raken. Ik wil ze niet kwijt, maar er is geen mogelijkheid de stroming veroorzaakt door de kraan en de zwaartekracht tegen te houden. Honderden bestsellers werden er door dat putje opgeslorpt met het geluid alsof hij het heerlijk vond. Meestal een boer na afloop - we hebben een oud huis.
Het net nog zo inspirerende water heeft niet alleen mijn lichaam maar ook mijn hoofd schoon gespoeld. Schoon. Leeg.
En als ik op het badmatje sta te bibberen doen de handdoek en de luchtverplaatsende ventilator samen precies hetzelfde. Eens per jaar doet papa het doucheputje open, want dan is ie verstopt en kapot. Dat zegt hij altijd. Ik geloof er niks van. Er komen alleen maar haren uit en hij werkt nog prima, want minstens om de dag ontneemt hij me parels van taalwondertjes.

Want beeld is ook een taal.

Spelen met vuur

vannacht trok ze bij me in
mijn nieuwe kamergenootje
al vanaf het moment dat ik haar haar hoekje wees
en ze daar ineens was
wist ik
dat zij de nachten weer romantisch zou maken.
romantisch als vuur
knettert ze zodra ze begint te spelen;
warmt ze me op
vanbinnen
en doet ze de vloer trillen
en mijn daarop liggende lichaam.

keihard slingert ze de jaren zeventig
en tachtig
door de lucht
die lijkt opgezogen of juist uitgestoten door haar stem.

spelen met vuur
doe ik, de hele dag; de hele nacht.
een beetje verliefd ben ik op haar
en haar hese stemgeluid.
Verliefd
op papa’s platenspeler.

Geschiendenislesje

Al vanaf mijn eerste geschiedenisles denk ik dat ik in het verkeerde tijdperk ben geboren. Misschien dacht ik dat zelfs nog wel eerder. Vanaf de tijd dat Doornroosje mijn lievelingsfilm was, vond ik mezelf al niet in het hier en nu passen.
De vijfjarige versie van mij was ervan overtuigd dat ze prinses in een oud kasteel moest zijn, met spinnenwielen en ridders die haar beschermden tegen een gevaarlijk bos met doornen en heksen. Dat geloofde ik echt.
Een paar jaar later sloeg ik voor het eerst een geschiedenisboek open. Het interesseerde me allemaal geen reet en las de voor toen ellenlange teksten nooit. Ik tekende alleen alle plaatjes na. Of ik trok ze over, gewoon in het boek dat eigendom van school was. Tot de juf of meester – ik weet niet meer wie er voor de klas stond want ik zag op dat moment alleen nog maar mijn fantasie en tekeningetjes – een verhaal begon te vertellen over jagers en verzamelaars. Die verhalen zijn minstens tien jaar blijven hangen, want ik weet ze nog als de dag van gisteren. Misschien nog wel beter.
Ik wilde ook op muren schilderen en een schrift schrijven dat later niemand meer zou kunnen lezen; dat alleen wetenschappers konden ontcijferen. Daar kon ik niet bij met mijn kleine hoofdje en al die geheimschriften en historische verhalen bleven me daarom mateloos fascineren. Dat men tegenwoordig jarenlang moet studeren om iets te kunnen lezen waarvan de schrijvers zich niet eens bewust waren dat het zoveel waarde zou krijgen. Ik wilde ook die mystiek in mijn handen hebben en tegelijkertijd wilde ik weten wie het geschreven hadden. Misschien hadden de vreemde wezens wel gelopen op de plek waar nu mijn schooltafeltje en –stoeltje stonden, toen er nog niet zo’n orde in de ruimte was aangebracht en het fenomeen binnen nog amper bestond.
Het enige dat me niet beviel uit het stenen tijdperk was het jagen. Dat vond ik zielig. Ik was toen al (of eigenlijk nog) vegetarisch.
Mijn Doornroosjedroom kwam vervolgens weer tot leven toen we met de klas letterlijk en figuurlijk in respectievelijk het Romeinse Rijk en de Middeleeuwen belandden. Letterlijk, want we gingen naar het Archeon en figuurlijk dankzij de verhalen. Ik was gelijk weer verliefd en die liefde is – afgezien van de Archeonschoentjes die een tijdje geleden in de mode waren – nooit meer overgegaan. Pirates of the Carribean is niet voor niets mijn lievelingsfilmserie; ik wilde Cleopatra spelen in een schooltoneelstuk (wat tot mijn grote verdriet niet lukte), trouwen met Orlando Bloom in Troy en op niemand ben ik zo jaloers geweest als op Harry Potter’s set designers. Behalve op J.K. Rowling dan misschien.
Ik wilde jurken dragen, paardrijden met twee benen aan één kant en ambachten uitvoeren op zo’n betegelde, stoffige binnenplaats, omringd door overdreven dikke stadsmuren. Ik wilde constant buiten kunnen zijn, vuren maken en een leven zonder tijdvespillende computers. 
Nu het hipstertijdperk is aangebroken weet ik het zeker. Ik hoor hier niet. En als ik dan toch in het digitale tijdperk moet leven, had me dan in de jaren zeventig gestopt. De jaren waarin muziek nog puur en nieuw kon zijn. Waarin dingen nog echt ontdekt konden worden. Waarin de paparazzi en commercie de natuurlijkheid nog niet uit de muziek haalden en kunst niet afhankelijk was van kopieën. De jaren waarin cliché nog niet zoveel gebruik hoefde te worden; waarin Harry Potter nog geschreven moest worden en waarin muziek nog van zo’n prachtige ronde plaat kwam. Muziek was tastbaar, voelbaar en de (toen nog) inbegrepen emotie daarmee ook. De muziek zelf. Niet de oppervlakkige digitale kopieën ervan. Ik wil gevoel.
Al vraag ik me af wat dat gevoel is, waarop ik zo verliefd ben. Is het wel de puurheid, de echtheid, het originele? Is het niet gewoon het feit dat het oud – lees: ouder dan ik – is. De schriften, de kastelen of ruïnes, de platen. Misschien zijn het de muffe geur die aan het voorwerp hangt en de tijd en daarmee waarnemingen die het achter zich heeft gelaten, die het zo intrigerend maken. En het besef van al die handen die het gemaakt en vastgehouden hebben, de ogen die het gezien hebben en de gevoelsmatig afstand die het gereisd heeft door de tijd. Ik wil weten wat het heeft gezien, want ik heb dat niet gezien.
En terwijl ik naar de ruis der oudheid in Simon and Garfunkel luister, typ ik dit op een laptop uit het Apple-tijdperk. Ook iets hipsterachtigs. Dat is het mooie aan nu: alles kan gecombineerd worden en juist de combi maakt mooi. Stiekem ben ik dan ook blij dat een typmachine alleen nog maar is om naar te kijken en ik dit stukje gewoon op een laptop kan typen en direct de lucht in kan knallen (ondanks het feit dat Twitter, Facebook, YouTube en Tumblr hier ook binnen handbereik zitten hier en die met zijn vieren meer dan de helft van mijn schrijftijd opslurpen). Zo heb ik nog een beetje het gevoel dat ik dit aan een groter publiek dan mezelf schrijf en kan ik zo veel backspacen en verschuiven als ik wil, zonder inktrolletjes, papier en irriterende eind-van-de-regelpingetjes. Hooguit met wat tijdverspilling.  

Ik vergeet weleens dat ik geen vent ben.

Ik zou willen dat ik piloot wilde zijn.
En ik zou willen dat ik muziek kon maken
dat muzieknoten mijn woorden waren
en de piano mijn pen.

Ik zou willen dat ik wilde acteren.
En ik zou willen dat ik kon sporten
dat een racefiets mijn toetsenbord was
en de energie mijn zinnen.

Ik zou willen dat ik naar de hotelschool wilde.
En ik zou willen dat ik koffie kon maken
dat de kopjes mijn papier waren
en de bonen mijn gedachten

Ik zou willen dat ik niet wilde schrijven.
En ik zou willen dat ik niet zou hoeven schrijven
de anderen vormen echter allemaal een stukje mij 
en maken met hun passie
zo de mijne.

Kattenkunst

Mijn dromerigheid confronteert me met een fenomeen waarom ik meer dan eens heel hard heb gelachen. Iedere keer weer als ik het YouTube filmpje aanzet confronteert Jochem Meijer me met mezelf. En zolang zoiets niet over een gevoelig plekje gaat, vinden we herkenning allemaal hilarisch. Misschien de een iets meer dan de ander, omdat de een iets bewuster leeft dan de ander, maar echt, het is super grappig om te horen hoe debiel je eet. Of dat je dat huppeltje waarmee je trappen op en af schijnt te hobbelen al negentien jaar lang niet bent verleerd.

Ik leef moeilijk bewust. Tot mijn eigen irritatie aan toe soms. Vandaar misschien dat ik om cabaretiers tranen in mijn ogen van het lachen kan krijgen terwijl anderen het scherm verwachtingsvol zitten aan te gapen zonder de lol ervan in te zien. Die blinden zijn de ‘gewone’ mensen. De niet-kunstenaars. Die zoeken naar iets wat ze nooit zullen of kunnen zien. Kunstenaars zien die dingen, die schoonheden die in de werkelijkheid verstopt zitten. In principe is iedereen wel een beetje kunstenaar. Kopieën van de werkelijkheid vinden we allemaal mooi, want dat is herkenbaar. Vraag me niet waarom abstractie mooi is. Daar heb ik nog steeds geen antwoord op want ik vind het meestal niet zo mooi. 

Word je al gek van mijn bewustheid? Ik hoop het niet voor je. 
Vanmiddag was één van die zeldzame momentjes waarop ik voor korte tijd van die bewustheid verlost was. Ik was lekker tegen mijn kat aan het lullen. Of nou ja, lekker. Ik was semi-boos. Taffie had mijn UGGs onder gezeken en het vocht dat mijn gebreide lievelingsschoenen niet meer konden absorberen lag in een rommelig, ovaal plasje op de parketvloer.
‘Hier, heb jij gedaan.’ Ik douwde de UUG in haar snuit. Vond ze niet zo leuk, aan haar koppie en in elkaar getrokken oortjes te zien.
‘Dat hoort toch helemaal niet zo kneusie,’ zei ik tegen haar terwijl ik een lang stuk wit, ribbelig papier van de keukenrol afscheurde.
‘Nee.’
Ik liep met de meest boze blik die ik op mijn gezicht kon toveren langs haar om de keukenvloer – half kokhalzend bij de geur – droog te dweilen. Terwijl ik neerhurkte en dat deed, begon ik net zo hard om mezelf te lachen als wanneer ik naar Jochem Meijer kijk. Misschien nog wel harder. Ik antwoordde voor mijn kat! Praten. Tegen een beest.

Volgens Jochem kunnen alleen vrouwen dat en kunnen vrouwen er niks aan doen. Ik geloof hem meteen. Mijn moeder doet het ook, net als mijn oma en vriendinnen. Ik hoorde mijn eigen woorden nog echoën in mijn hoofd. Vooral omdat Taffie me aankeek alsof ik niet helemaal lekker was. Ik hoorde haar denken: schat, ik ben een kat. Dat rijmt, maar dat hoor je niet, net als dat je niet hoort dat ik dit nu denk. Ik kan niet terugpraten en ik versta geen moer van je. 

Of ze dat wel of niet dacht zal ik nooit weten, maar ik weet wel dat wat ik zei – “dat hoort toch helemaal niet zo” – me enorm confronteerde met de vraag wat nou hoorde en wat niet. Is het de bedoeling wel helemaal dat ik dat beest haar pies op sta te ruimen omdat ze niet zindelijk te krijgen is of hoort ze gewoon lekker in de natuur rond te wandelen? Te plassen waar en wanneer ze wil; zelf haar eten uit te zoeken en uit de verpakking te halen; te gaan en liggen waar ze wil…

We kunnen het fenomeen huisdieren niet meer terugdraaien, maar er klopt niet veel van. Zo is de wereld niet bedoeld, zo ongelijk met mensen in een hogere positie dan die arme beestjes. Of kijk ik nu weer te ver? Ben ik de realiteit weer te mooi aan het proberen te maken? Beetje de abstracte kunstenaar aan het uithangen, waar niemand iets van begrijpt en al helemaal niet om kan lachen.

P.S. Ondertussen heb ik een antwoord gevonden op de vraag waarom sommige mensen, kunstenaars of niet, abstractie mooi vinden. Denk ik. Ik denk wel vaker iets. Ik denk dit keer dat het een manier is om aan de realiteit te ontsnappen. Vind ik best begrijpelijk. Gewoon effe lekker onbewust.

Retrokids

Museum of Childhood, bezocht op 18 november 2012.

Als ik mama zou vertellen dat dit het tweede museum is dat ik in een weekend vrijwillig binnenloop, zou ze van haar stoel vallen. Dat doet ze nu waarschijnlijk ook want ze leest dit allemaal nauwkeurig. Ik was vroeger namelijk nooit zo van de musea, zacht uitgedrukt. Mijn gezicht sprak boekdelen bij die saaiheid. Ik ging veel liever naar ruïnes en oude kastelen en daar dan prinsesje spelen of me voorstellen welke mooie prinsen hier geslapen zouden hebben, terwijl de gids verhalen vertelde in een taal die ik toen nog niet verstond. Die vreemdheid maakte het spannende sfeertje compleet. Een paar jaar later blijkt zo’n verschillende taal en cultuur eigenlijk bar weinig uit te maken. Musea kunnen bovendien net zo spannend en verhalend zijn als kapotte kastelen. Na twee kasten vol oud speelgoed te hebben bekeken was dat gevoel van ik-ben-in-een-museum-dus-ik-ben-oud-en-saai namelijk al veranderd in een gevoel dat ik jaren niet meer gekend had. Eentje die veroorzaakt wordt door de fascinatie voor speelgoed. Dat ik niet meer met treinen, poppenhuizen en knikkerbanen speel is echt niet omdat ze me niet meer boeien, maar omdat de samenleving vindt dat ik nu moet spelen met ander speelgoed. Als ik de gigantische poppenhuizen mee naar huis kon nemen, had ik me er dagenlang mee kunnen vermaken. Tot ik weer een nieuwe zou krijgen. Of een keukentje. Of Barbies. Dwalend en dromend door het museum voelde ik me weer tien jaar jonger. Tot iets heel herkenbaars me tegenhield. Een Baby Born achter glas. Gevolgd door levensgrote Teletubbies, Barbie en Ken, Playmobil en het poppenhuis waar ik vroeger urenlange drama’s en liefdesverhalen in improviseerde. Mijn jeugd stond in een museum. Ik voelde me opslag geen tien jaar jonger, maar dertig jaar ouder.

London Underground

Zie hier, de Underground Map van het centrum van Londen: http://d2mns3z2df8ldk.cloudfront.net/images/explorer-map/tubemap-2012-01.png. Ongetwijfeld het meest intrigerende fenomeen aan de hele stad – zelfs of juíst nu ik alle lijnen en van zone 1 en 2 ook de haltes uit mijn hoofd kan benoemen. Ik weet niet of ik daar trots op moet zijn.

Het ding is echter wel verdomd handig. Na bijgekomen te zijn van de schrik veroorzaakt door de prijs voor een Monthly Travelcard en het vele, onmisbare gebruik van het tekeningetje in mijn smartphone begon ik de stad te zien in gekleurde lijntjes en tubestationnamen. Behalve om van die naam naar de exacte plaats van bestemming te komen heb ik plattegronden al zeker in geen twee maanden vastgehouden. De logica van het ondergrondse doolhof overwint het van de ingewikkelde high ways en onvindbare steegjes. Onder Londen lijkt zich een tweede stad te bevinden. Een soort van Flevoland, waarin alle wegen recht en geometrisch en logisch zijn. Of ze echt zo recht zijn weet ik niet, want zodra de slangachtige, oneindig lange metro’s het donkere hol van de ondergrondse wereld in verdwijnen heb ik geen idee welke kant ik opgevoerd word. Meters omhoog en omlaag; misschien kronkelt het spoor wel meer dan de dubbeldekkers een verdieping hoger tussen de prachtige oude gebouwen heen slingeren.

Na elke drie tot vijf minuten bevindt zich een nieuw dorp. Ik kan me dankzij het moderne ondergrondse systeem voorstellen hoe Londen eeuwen geleden ontstaan is – daardoor ga ik nadenken over de vroegere dorpjes die samengesmolten zijn tot een stijlvolle, chaotische, acht miljoen inwoners tellende wereldstad. Bij die acht miljoen tel ik mezelf niet, zoals het dubbele aantal toeristen en tijdelijke inwoners daar ook niet tot meegerekend worden. Je kunt je (niet) voorstellen hoeveel mensen gebruikmaken van de ondergrondse wereld. Ik vraag me af of de stoepen en driebaanswegen dat grote aantal Europeanen, Afrikanen, Amerikanen, Australiërs  en Aziaten hadden kunnen verwerken als die extra verdiepingen van de stad niet bestonden.

De ondergrondse wereld lijkt de controle over je agenda en looproute volledig over te nemen. Niet alleen omdat ze zelf bepaalt wanneer welke metro komt – of dat het ding überhaupt komt opdagen – maar  ook om haar mogelijkheid je de verkeerde kant op te voeren en je in een volledig ander gebied te droppen. Of je gewoon helemaal niet mee te nemen. Dat laatste doet ze met haar eigenwijze, piepende deuren. Die kunnen jou en je geliefde uit elkaar trekken, waardoor je elkaar hulpeloos doch lachend kunt uitzwaaien. Ze kunnen je gevangen houden in de metro door al te sluiten voor je uit kan stappen. Klinkt hilarisch, maar wat doe je dan? Het netwerk beschikt niet over Wi-Fi, 3G of telefoonverbinding. Je bent volledig geïsoleerd. Van alles en iedereen. Misschien dat de Engelse bevolking daarom nog leest. Waar ik in Nederland eens een stukje schreef over mijn bewondering voor een student die in bus 50 of 51 een roman van Harry Kramp las, slepen Londenaren – jong en oud – hun boeken mee door zowel de onder- als bovengrondse stad en kan de drukkerij van de Morning en Evening Standard de vraag naar gratis METRO’s amper bijhouden.

Ik als Nederlandse lees ondertussen ook (op mijn iPad, dat wel), overdenk alle indrukken en impressies van het Londen in de buitenlucht en schrijf die in mijn notitieboekje met een snelheid als die waarmee ik door de tunnels vlieg. Ik laat mijn woonplaas voor de heerlijkste momentjes van de dag soms aan me voorbijgaan, om met dezelfde lijn een halfuurtje later vanaf de andere kant weer in Hammersmith te arriveren. Dan herinnert de hoge snelheid van de metro me altijd aan het feit dat de tijd niet stilstaat en daarmee stelt ze me altijd weer teleur. En ondanks mijn fascinatie voor het praktische, gestructureerd doch onbegrijpelijk gekleurde doolhof van de Londense underground, er is maar één ding waar ik liever mee reis en dat is, ondanks haar drie keer zo slechte dienstregeling, de Nederlandse Connexxion. Gewoon. Omdat dat de enige vorm van OV is die mij thuisbrengt en me letterlijk voor de deur af kan zetten. 

Halloween

Hoewel ik altijd fan van verkleden ben geweest, heb ik in mijn hele 18-jarige leventje nog nooit Halloween gevierd. In prinsessenjurken, Voldemort-gewaden, zelfgemaakte engelenpakjes en indianenkostuums spendeerde ik mijn fantasievolle jeugd. Er ging geen dag voorbij dat ik zelf niet onderdeel was van mijn geïmproviseerde toneelstukken die plaatsvonden van de zolder tot in de voortuin. Mijn broertje en de gigantische familie Knuffel waren vaak al dan niet vrijwillig - gedwongen mee te spelen in mijn oneindige fantasieën. Als een van hen geen zin meer had of niet acteerde zoals ik wilde, liepen de tranen letterlijk over mijn kinderwangetjes.

Misschien dat ik daarom jaren later op een filmacademie belandde. Eentje ver weg van de zolderkamer en de voortuin, ver weg van mijn eigen familie en de knuffels die ik van hen en mijn vrienden en vriendinnen kreeg. Wereldstad Londen werd het nieuwe decor voor mijn verhalen, inmiddels verwerkt tot professionele scenarios.
Om zo’n scenario tot leven te laten komen en op het (online) witte doek te krijgen, is heel wat meer hulp nodig dan die van een uitgestorven Knuffelfamilie en een inmiddels bijna volwassen broertje. Want in plaats van te gaan huilen, moet een regisseur het door de acteurs neergezette kunstwerk met aanwijzingen verbeteren. Acteurs kun je ook niet zomaar van de bank plukken en het is net zo onmogelijk vanuit meerdere perspectieven tegelijk naar hetzelfde tafereel te kijken. Wat is een film bovendien zonder geluid en wie gaat alle rushes, oftewel losse stukjes film aan elkaar plakken tot een goedlopend verhaal?

Dan kan ik als regisseur wel zeggen hoe het plaatje er in mijn hoofd uitziet, maar dat plaatje uit mijn hoofd krijgen kan ik niet alleen. Gelukkig heeft Londen een inwoner of 8 miljoen. En daar horen verdwaalde Nederlanders en toeristen als ik niet eens bij.

Onder het verdwaalde deel inwoners bevond zich een Australisch meisje. Ze was verhaaltechnisch gezien de vervanging van mijn broertje en ik ontmoette haar omdat ik dus niet in mijn uppie een film kan maken. 
Jayne wist wel wat Halloween was en kon dat zelfs in haar tijdelijke woonplaats Londen niet overslaan. Ze organiseerde een house party waarvoor ze ook mij uitnodigde. Dus ik naar Poundland om een paar duivelsvleugeltjes en rode nepwimpers te kopen. Afgezien van een meegebrachte fles wijn een goedkoop feestje dus.

Na een bus-, metro- en treinreis van bijna anderhalf uur stond ik in Bleackheath, een plaats waar ik nog nooit geweest was. Daar ontdekte ik dat ik mijn iPad inclusief screenshot van Google Maps niet bij me had en ik dus geen idee had welke kant ik op moest. Het enige dat ik wist was dat het nog ruim een kwartier lopen was en dat Jayne’s woonwijk zich aan het eind van een lange rechte weg bevond. Het treinstation verschafte ook een plattegrond, maar was die lange rechte weg nou Lee Park of Lee Road? Ik koos voor Lee Road, maar naarmate de weg donkerder en stiller werd, begon ik me af te vragen waar ik eigenlijk naartoe aan het lopen was.

Een meter of vier verderop stond een auto langs de weg stil, de koplampen nog aan. Ik kon zien dat er een man in zat en ineens stond ik in mijn eigen Halloween-horrorfilm. Het duiveltje werd bang voor de mensen om zich heen en met de vleugeltjes nog in haar tas, de getoupeerde staartjes aan weerszijde van haar prachtig opgemaakte gezicht en lopend in haar korte jurkje voelde ze zich ineens weer het kleine meisje met teveel fantasie. Of dat laatste nu ook een rol speelde of niet, maakte haar niet uit. Ze dacht aan de bezorgde waarschuwingen die haar moeder altijd gaf als ze na het stappen alleen naar huis wilde fietsen. Dat deed ze dan lekker toch. Nu was ik zelf mijn eigen waarschuwing en luisterde er onmiddellijk naar. In plaats van inspiratie opdoen voor een horrorfilm of er zelf deel van uit te maken, keerde ik om en nam de trein terug – terug naar mijn iPad, om een Halloween-verhaal te schrijven. De overgebleven fles wijn maakte dat verhaal alleen maar beter.

Zachte G

Ik wou dat ik praatte met een zachte G. Die maakt je hele persoonlijkheid anders. Zachter, vrolijker, karakteristieker. Fijn om naar te luisteren. Maar waarschijnlijk zou ik die schoonheid dan niet horen. 

De brug staat open. De motor van de bus gaat uit. En plotseling lijken alle geluiden binnen de doffe ruiten, vloer en plafond van de bus gevangen. Opgesloten. Stemmen die normaal meegevoerd worden met de draaiende wielen, met de ronkende motor worden plotseling verlegen. Alsof elk geluid en ieder woord te breekbaar is om zonder bescherming van het gekraak en gezoem te bestaan, los gelaten te worden in de kleine, volle bus. 

Zodra de motor start ontwaken de passagiers uit hun ongemakkelijkheid en de spanning. De stembanden komen langzaam weer op gang. Alle geluiden worden door elkaar versterkt.

Anonymous asked: je schrijft zo vloeiend als boter over een hete pan, je inspireert me als als iemand die zijn ideeen uit het roken van wiet krijgt. Ga zo door meid met deze energie kan je een stad verlichten.

Een reactie als deze is mijn wiet. Wauw. Dankjewel. Ik durf je te beloven dat er nog vele verlichte steden zullen volgen. Maar voor ik - letterlijk en figuurlijk - verder reis, vraag ik mij af wat de resultaten zijn van jouw inspiratiebron. Of zijn die nog niet klaar om onder digitaal licht te worden geplaatst?

Verhalen met fantasie en symboliek of secundaire literatuur? Zijn we nog wel op zoek naar een uitweg van de werkelijkheid zoals in de romantiek, of willen we de werkelijkheid zonder zoektocht en zonder emotionele waarde, spanning en schoonheid ontdekken, leren begrijpen? Is pure werkelijkheid de nieuwe schoonheid?

Saai, zou ik zeggen. 

Is het niet logisch

dat ik niet kan

wat zij kunnen?